capital-l
lower-h

Periode 1945 - 1980

De trauma’s van de Tweede Wereldoorlog, engagement en avant-garde, visuele poëzie en experimentele romans, de 'stille generatie' in de jaren 70.

De trauma’s van de Tweede Wereldoorlog

De Tweede Wereldoorlog slaat diepe wonden en vele auteurs schrijven hun ervaringen en trauma’s van zich af. Collaboratie en verzet vormen de meest voorkomende thema’s, naast de concentratiekampen, de jodenvervolging en de gruwelen die oorlog en bezetting met zich meebrengen. Auteurs die gecollaboreerd hebben, schrijven verdedigend of verontschuldigend. De repressie wordt vaak kritisch benaderd. Anderen hebben het over de aanpassingsmoeilijkheden aan de naoorlogse situatie. De eerste jaren na de oorlog blijken toch niet zo rooskleurig als verhoopt: ook de koude oorlog en de angst voor een atoomoorlog blijken een ideale voedingsbodem om de herinnering aan de verschrikkingen van de Tweede Wereldoorlog levendig te houden.

Koude oorlog, engagement en avant-garde

In de jaren 1950 ruimt Vlaanderen verder puin, terwijl de dreiging van nieuwe conflicten en van de koude oorlog de sfeer mee bepaalt. De traditionele christelijke ethische waarden staan ter discussie. Avontuur, revolutie en avant-garde oefenen opnieuw een grote aantrekkingskracht uit. Enkele jonge schrijvers breken met de traditionele poëtische codes. Terwijl het engagement aanvankelijk nog duidelijk geuit wordt, kiest een volgende generatie al resoluter voor woordkunst: de dichter als ’taalschepper en ontdekker van nieuwe werelden’.

Boegbeelden van de nieuwe generatie zijn Hugo Claus en Louis Paul Boon. Tegen de achtergrond van het industriestadje Aalst bekritiseert Boon in zijn romans onder meer de vernietigende kracht van het vooruitgangsdenken en de burgerlijke schijnmoraal.

Visuele poëzie en de grenzen van de roman

De jaren 1960 worden gekenmerkt door maatschappelijk verzet. In het werk van heel wat schrijvers weerklinkt een aanklacht tegen alles wat misloopt in de wereld: oorlog en atoomproeven, milieuvervuiling, onderdrukking ... Maar vele schrijvers verzetten zich ook tegen de traditionele literatuur en proberen door een vernieuwing van de vorm tot een uitgepuurde letterkunde te komen, met vooral aandacht voor het woord en de taal. De poëzie wordt alsmaar visueler en de grenzen van de roman worden tot het uiterste afgetast.

Ivo Michiels neemt een vrij conventionele start om zich daarna te wijden aan een reeks romans waarin de identiteitscrisis centraal staat. Het afscheid schetst een vrij existentieel verhaal van angst en onzekerheid. In de Alfa-cyclus worden werkelijkheid en verhaal geleidelijk geabstraheerd tot louter taalschepping. De daarop volgende reeks Journal Brut is op verschillende niveaus te lezen, met ook een toegankelijke verhaallijn.

De stille generatie

Na de woelige jaren 1950 en 1960 wordt de literatuur introverter en treedt de stille generatie aan. Schrijvers gaan op zoek naar hun eigen verleden en naar hun individuele eigenheid. Het nieuw-realisme van Herman de Coninck en de neo-romantiek van Jotie T’Hooft kennen een grote populariteit. Traditionele dichtvormen zoals het sonnet maken terug opgang. Opvallend is dat de vrouw als auteur in de kijker komt en dat de grens tussen literatuur en journalistiek vervaagt.

Het werk van de gevestigde waarde Hugo Claus overbrugt de hele naoorlogs periode. In zijn romans confronteert Claus de lezer onder meer met de kleine kantjes van de Vlaamse burgerlijkheid en met oerdriften die zijn personages voortstuwen. Als dichter evolueert hij van klassieke belijdenislyriek over een experimenteel modernisme naar een vlotte parlando stijl.

Meld je aan voor onze nieuwsbrief