capital-l
lower-h

Pliet van Lishout x Christophe Vekeman

'A boy named Hippoliet'. Christophe Vekeman las het werk van de sombere dandy Pliet van Lishout. En ontdekte in 'De zaak Dr. Jaminez' een Vlaamse Damokles.

De Vlaamse Dostojewski versus Willem Frederik Hermans
Over Pliet van Lishout

Christophe Vekeman

Pliet is een rare, weinig voornaam klinkende voornaam, die je wat mij betreft eerder zou associëren met een Noord-Nederlandse mandenvlechtster of zo, zus van Plien en Pleuni, dan met een Gentse en uitgesproken mannelijke schrijver. Toch kon het volgens Pliet van Lishout zelf nog heel wat erger. ‘Feitelijk heet ik Hippoliet’, zo luidt de titel van het eerste verhaal in de autobiografische bundel-die-leest-als-een-roman Eva en ik uit 1951, en de ‘vertjoepte naam’ in kwestie is er niet alleen de reden van dat de ik-figuur altijd onder ‘een minderwaardigheidscomplex’ gebukt is gegaan, maar ook dat hij bij momenten verteerd raakte door gevoelens van haat en agressie. ‘Honderden keren heb ik gedroomd dat ik de man die mijn naam heeft uitgevonden op een zacht vuurtje gaarstoofde of levend in kleine stukjes sneed’… 

Pliet van Lishout, september 1940

Pliet van Lishout, september 1940

De bekentenis roept onwillekeurig reminiscenties op aan wat Johnny Cash zong in A Boy Named Sue – ‘I’d roam from town to town to hide my shame/ But I made a vow to the moon and stars/ That I’d search the honky tonks and bars/ And kill that man who gave me that awful name’ –, maar in tegenstelling tot in het betreffende nummer was het in Van Lishouts geval niet papalief maar wel zijn grootvader die de oorzaak was van de ellende: het was naar hem dat men hem genaamd had. En er is nóg een groot verschil met de genaamde Sue van Cash: Van Lishout vond een oplossing, of meende althans dat hij die had gevonden, en deze oplossing werd hem door zijn moeder aangereikt, steeds nog volgens Eva en ik, nadat hij haar als jongeling te kennen had gegeven dat hij zijn leven aan de letteren wenste te wijden en slechts door een klein detail nog werd gescheiden van literaire vermaardheid en eeuwige roem: ‘mijn lamme naam’. Zij is het die op het idee komt ‘Hippoliet’ in te korten tot ‘Pliet’, waarop de rechtstreekse gevolgen niet van de lucht zijn: ‘Niet alleen is een zware last van mijn ziel gewenteld, doch een nieuw, glanzend verschiet ligt voor mij open door het genie van mijn moeder, die mij aldus voor de tweede maal het leven schonk.’ 

Het heeft niet mogen baten, vandaag de dag is Pliet even vergeten als wanneer hij Hippoliet was blijven heten. Het laten vallen van zijn naam in nochtans sterk letterlievende kring pleegt weinig tot geen enkel belgerinkel op te leveren, en ook de titels van zijn boeken, of zij nu tijdens zijn leven gepubliceerd zijn dan wel postuum (Leven met Emilie, waaraan hij ruim vijftien jaar schijnt te hebben gezwoegd), slagen er nooit in herkenning te oogsten: het werk van Pliet van Lishout ligt eeuwig onverstoord een onbestaan te leiden in het magazijn van de bibliotheek.

Brief van Pliet van Lishout aan Paul van Keymeulen, 26 december 1940

Brief van Pliet van Lishout aan Paul van Keymeulen, 26 december 1940

Het neemt allemaal niet weg dat hij gedurende een periode in zijn leven wel degelijk faam en erkenning genoot. Akkoord, toen hij in 1982 op tweeënzestigjarige leeftijd overleed, was hij al vele jaren lang de schrijver van toneelstukken die op een enkele uitzondering na niet werden opgevoerd, alsook van proza dat uitsluitend nog de interesse wist te wekken van het letterkundig tijdschrift Yang, maar Eva en ik schopte het in 1966 nog, vijftien jaar na de oorspronkelijke verschijning ervan dus, veelzeggend genoeg tot Vlaamse Pocket en zou altijd Van Lishouts grootste succes blijven. 

Eva en ik betreft het enigszins stoutmoedige verslag van een aantal wederwaardigheden die de playboy in de ik-rol meegemaakt heeft op het amoureuze vlak, en heel zeker is het een ode aan ‘de’ vrouw die ook in onze tijd nog steeds gesmaakt kan worden met een glimlach om de lippen. Of de klaroenstoot van Hubert Lampo in 1951 (‘Indien het peil van ons groot publiek in Vlaanderen hoger stond dan thans het geval is, zodat vooralsnog over het algemeen slechts succes hebben kan wat in de eerste plaats de middelmatigheid vleit, al wat naar het subtiele zweemt vermijdend, zo zou ik niet aarzelen om Eva en ik als best-seller der eerstvolgende maanden te pronostikeren’) niet van een al te schel karakter is om er vol instemming met mee te juichen, daarover valt weliswaar te discussiëren, maar de kritiek van Ivo Michiels in hetzelfde jaar klinkt hoe dan ook te streng en zuur, op het azijnerige af, zelfs, en doet het boek stellig geen recht: ‘Dat Pliet van Lishout met de wereld, het leven of desnoods zichzelf een loopje wil nemen, is zijn zaak, maar een schrijver die naam waardig, heeft op zijn minst zijn kunst au sérieux te nemen…’

Pliet van Lishout, 1969 © Filip Tas & Letterenhuis

Pliet van Lishout, 1969 © Filip Tas & Letterenhuis

Niet onwaarschijnlijk is het dat Michiels in zijn appreciatie voor het boek werd gehinderd door de neiging van de dandyeske schrijver om opvallend vaak de kaart van de soms brallerige zelfironie te trekken, wat hem bijwijlen een aanschijn verleent dat we vandaag mulischiaans of ook wel brusselmansiaans zouden kunnen noemen. De eerste zin van het boek zet op dat vlak meteen al de toon. ‘Geloof mij, of geloof mij niet, maar aan het feit kan voorlopig niets veranderd worden: ik ben heus geen lelijkerd.’ Later klinkt het onder meer: ‘Je moet weten dat de nonchalance waarmee ik mij kleed mijn voorkomen charmant maakt, en door mijn lang haar heb ik daarbij nog zo’n air van geciviliseerde woestheid…’ Ook over zijn geestelijke capaciteiten wenst Pliet overigens niet vals bescheiden te doen, ervan uitgaand, immers, dat de lezer hoe dan ook wel beter zou weten. ‘Hoewel het voor jullie allemaal een uitgemaakte zaak is dat ik met een meer dan normaal verstand begaafd ben, werd ik dus journalist.’

En journalist was het inderdaad dat hij werd, voor de tweede keer in 1970 bij de krant Het Laatste Nieuws, nadat hij er in de jaren zestig achter was kunnen komen dat de reclamewereld echt niets voor hem was en dat je beter geen uitgeverijtje uit de grond stampt als je niet zowat je hele financiële bezit wil verliezen. Het zou het definitieve einde betekenen van zijn schrijverscarrière en tezelfdertijd de opmaat vormen van de gezondheidsproblemen die zouden leiden tot zijn dood in 1981, één jaar nadat hij op brugpensioen was mogen gaan en eindelijk weer fulltime voor de belletrie, niets dan de belletrie hoopte te kunnen leven. Het etiket 'onze Vlaamse Dostojewski' dat hem ooit was opgeplakt had zich inmiddels alreeds tijdenlang weer van hem losgeweekt, en sowieso kan de lezer van Eva en ik niet anders dan in onbegrip de wenkbrauwen fronsen bij het vernemen van deze omschrijving...

Roman De obsessie, Snoeck-Ducaju, 1941. Met tekening van Jozef Cantré.

Roman De obsessie, Snoeck-Ducaju, 1941. Met tekening van Jozef Cantré. Na het verschijnen van De Obsessie en De zaak Dr. Jaminez wordt Van Lishout ‘onze Vlaamse Dostojewski’ genoemd.

Dat laatste verandert voor wie de moeite neemt het vroege werk van Pliet van Lishout eens ter hand te nemen, en dan met name het andere boek dat het, in 1967, een jaar later dan Eva en ik, tot Vlaamse Pocket schopte: het oorspronkelijk in 1947 verschenen De zaak Dr. Jaminez. ‘Zwaartillend’ is een van de woorden waarmee Daniël Van Ryssel in zijn Pliet van Lishout getitelde monografie – waaraan ik trouwens de nodige informatie voor het schrijven van dit stuk ontleend heb – De zaak Dr. Jaminez aanduidt, en dat is zeker niet ver bezijden de waarheid. ‘Angst maakt een integrerend deel van mijn wezen uit. Van toen ik klein was heb ik hem met mij meegedragen’, vertrouwt de vrouwelijke verteller ons toe aan het begin van de roman, nog voordat zij in ’t huwelijk getreden is met een even ondoorgrondelijke als emotioneel gestoorde psychiater – de niet al te lang geleden van moord vrijgesproken Jaminez uit de titel. Conversatieflarden als ‘In wezenlijk lijden kun je trouwens een duivels genot vinden, en in de liefde wil men alleen van zijn leed verlost zijn. Het verdriet in de liefde is geen echte smart’ doen inderdaad rechttoe-rechtaan aan de Russische grootmeester denken, en het Übermenschcomplex waarmee de door gewetenloze doodslag gefascineerde zielknijper – ja, je zal er maar mee getrouwd zijn – behept is, maakt hem onmiskenbaar tot een nazaat van Raskolnikov. 
Toch is het niet Misdaad en straf waaraan het enige boek van Pliet van Lishout dat ooit een literaire prijs mocht winnen – die van de stad Gent, in 1951 – het sterkst doet denken. De zaak Dr. Jaminez heeft immers nog veel meer weg van een heel andere roman, en in schrille tegenstelling tot Misdaad en straf en uiteraard het volledige oeuvre van Dostojewski, moest die in 1947 nog worden geschreven: Willem Frederik Hermans begon volgens zijn eigen datering pas in 1952 aan De donkere kamer van Damokles, een titel die klankmatig wel een echo lijkt te zijn van De zaak Dr. Jaminez… 

Pliet van Lishout in zijn bibliotheek, 1969 © Filip Tas & Letterenhuis

Pliet van Lishout in zijn bibliotheek, 1969 © Filip Tas & Letterenhuis

Zowel Hermans als Van Lishout zou in zijn hoedanigheid van zware roker aan longkanker sterven (het auteursportret dat op het achterplat van de twee voornoemde Vlaamse Pockets prijkt, toont ons een gretige Van Lishout die zichzelf een vuurtje geeft), maar de overeenkomst tussen Damokles en Jaminez is wel degelijk van een andere, schijnbaar minder toevallige soort. Mijn eigen aandacht werd getrokken door de volgende zin bij Van Lishout: ‘Een held is alleen maar een speler die geluk heeft bij het spel.’ Bracht dit nu niet onvermijdelijk de definitie in gedachten die Hermans formuleert in zijn roman uit 1958? ‘Wat is een held?’ werpt hij daar de vraag op, die hij vervolgens op deze wijze beantwoordt: ‘Iemand die straffeloos onvoorzichtig geweest is.’ 
Maar het is vooral het dubbelgangermotief en de wazige grens tussen feit en fantasie, tussen de niet te betwisten realiteit en ziekelijke verbeelding, die van beide romans het kernthema vormt en ze vrij onverbiddelijk doet lijken op elkaar. Of de genaamde Dorbeck in het boek van Hermans nu al dan niet bestaat of bestaan heeft, en dus al dan niet een voortbrengsel van Osewoudts verbeelding moet worden genoemd, is een vraag die evengoed, mutatis mutandis, en meer bepaald met verandering van weinig meer dan de namen, kan worden gesteld met betrekking tot bepaalde personages in De zaak Dr. Jaminez. Ook wie geen van beide romans ooit heeft gelezen en niet weet waarover het gaat, zal de naakte overeenkomst tussen de volgende sleutelpassages maar moeilijk kunnen ontgaan. Lees even mee en stel voor uzelf vast hoe ongemeen probleemloos de stukjes dialoog hieronder met elkáár in dialoog gaan...

Uit Jaminez: ‘Peters en ik vullen elkander aan. Ik ben onvolledig zonder hem, ik wil het graag bekennen.’
Uit Damokles: ‘Ikzelf ben niets zonder Dorbeck, ik kom er rond voor uit.’

Uit Jaminez: ‘“Ik ben Peters,” antwoordde Alec stroef.
“Peters bestaat niet.” Fu’s woorden klonken iets luider. “Peters was er in je verbeelding.”’
Uit Damokles: ‘En toch zweer ik bij alles wat mij heilig is, dat hij bestaan heeft.’

Uit Jaminez: ‘Voor jou moet alles zo goed als werkelijkheid zijn geweest. […] Kun je echt de werkelijkheid nog wel altijd onderscheiden van het irreële?’ 
Uit Damokles: ‘Wat moet ik anders doen, als Dorbeck niet bestaat? Hij is een voortbrengsel van je fantasie. Jij heb hem zelf bedacht, maar je hebt het niet opzettelijk gedaan, je had geen keuze.’

Eerste pagina van het verbeterde typoscript van Zeepbellen. De kroniek van een halfsleetse dwaas, verschenen als Adam betaalt in 1976

Eerste pagina van het verbeterde typoscript van Zeepbellen. De kroniek van een halfsleetse dwaas, in 1976 verschenen als Adam betaalt

Heeft Hermans het derde boek van Pliet van Lishout gelezen en zich er mogelijks en onbewust door laten inspireren bij het werken aan zijn befaamde oorlogsroman? Of valt de overeenkomst tussen Damokles en Jaminez terug te voeren tot een gemeenschappelijke liefde van de beide schrijvers voor – opnieuw – Dostojewski, die op zeker ogenblik in Damokles ter sprake komt en wiens roman De dubbelganger, over een man die door zijn alter ego in de draaikolk van de waanzin wordt getrokken, in 1846 verscheen? 
Het valt niet uit te maken, al is het aanlokkelijk met de gedachte te spelen dat Pliet van Lishout meer voor de Nederlandstalige literatuur heeft betekend dan tot nog toe werd aangenomen door de enkelingen die nog weten wie hij is. Want al mag hij noch de Vlaamse Dostojewski zijn geweest, en vanzelfsprekend evenmin de Vlaamse voorloper of leermeester van Willem Frederik Hermans, toch valt aan met name De zaak Dr. Jaminez meer leesplezier te beleven, als je het mij vraagt, dan aan menig boek dat nu wél een klassieke status geniet, gezwegen nog over de stroom der fel geprezen kletsboeken die dagelijks wordt uitgestort over die arme, beklagenswaardige lezershoofden van ons. 
Loop dus zeker eens, straks, bij uw bibliotheek langs, zonder vrees vervolgens met lege handen thuis te komen: de kans is bepaald aanzienlijk, dat het genoemde werk niet uitgeleend is… 

Archief Pliet van Lishout

Bekijk hier wat we in het Letterenhuis bewaren van Pliet van Lishout.

 
10x100
Schrijvers van nu over schrijvers van 1920
Tien hedendaagse auteurs schetsen een beeld van 10 schrijvers. Schrijvers die 100 jaar geleden werden geboren.10 x 100 is een reeks longreads over bekende of (onterecht) vergeten schrijvers uit de Letterenhuiscollectie.

Meld je aan voor onze nieuwsbrief